18 Oktober 2017
Home > Nieuws > Algemeen > De lessen van de fipronilcrisis

Beste bezoeker,

Wij zien dat u een adblocker gebruikt waardoor u alleen advertenties ziet die door uw adblocker worden goedgekeurd.

Thim Zevenberg (links) en Michel Bronkhorst zien dat zelfs grote multinationals soms te weinig doen om voedselschandalen te voorkomen.

De lessen van de fipronilcrisis

NIEUWVEEN - Fabrikanten kunnen zelf meer doen om voedselfraudes te voorkomen.

Geschreven door Maaike Tindemans

“Het is té gemakkelijk om naar de NVWA te wijzen. Je moet zelf weten welke risico’s je loopt en maatregelen nemen ter preventie. Veel fabrikanten doen dit nog onvoldoende”, zegt Michel Brinkhorst van Care for Food Group.

Verwijten
Tijdens de fipronilcrisis kreeg de NVWA behoorlijk veel verwijten. Soms werd er zelfs gesuggereerd dat zij schuldig zou zijn aan de omvang van de eiercrisis. Staatssecretaris Martijn van Dam (Economische Zaken) liet in het debat op 24 augustus een heel ander geluid horen. “Bedrijven die levensmiddelen produceren zijn in de eerste plaats zélf verantwoordelijk voor de veiligheid van de producten en de controles die daarbij horen. Elke dag lijden bedrijven schade door onoorbaar gedrag van anderen. Dat is ongelofelijk verdrietig. Maar het is hun eigen verantwoordelijkheid om te werken met kwaliteitssystemen die goed functioneren.” De staatssecretaris wil wel onderzoeken hoe de overheid deze kwaliteitssystemen beter kan ondersteunen.

Maar zijn alle fabrikanten wel opgewassen tegen dit soort frauduleuze praktijken? Michel Brinkhorst, directeur van de Care for Food Group, vindt van niet. “Wij zien in de praktijk dat veel fabrikanten onvoldoende maatregelen nemen om voedselfraude te voorkomen.” Hij deelt die mening met zijn collega Thim Zevenberg, projectmanager bij dochterorganisatie FoodTrust.

FoodTrust voert regelmatig audits uit om te checken of fabrikanten voldoende doen om voedselfraude te voorkomen. Kunt u in algemene zin zeggen welke type fabrikanten dit goed voor elkaar hebben?

Brinkhorst: “Daar is niets over te zeggen. We komen wel eens bij multinationals met een enorme naam en faam. Je zou denken dat zij alles in het werk stellen om voedselfraude te voorkomen. Dat valt soms behoorlijk tegen. En we worden wel eens verrast door mkb’ers die dit onderwerp ontzettend goed onder controle hebben. De grootte van een bedrijf zegt dus niets over de mate waarin zij bestand zijn tegen voedselfraude.

We zien wel dat bedrijven die maatregelen hebben genomen minder snel getroffen worden door een voedselschandaal. In maart hadden we bijvoorbeeld het Braziliaanse rundvleesschandaal. Hierbij werd bedorven rundvlees verkocht en verwerkt in worst. Bepaalde bedrijven hebben hier geen last van gehad omdat zij vooraf goede preventieve maatregelen hadden genomen. Daardoor konden ze garanderen dat dit vlees niet was bijgemengd in hun producten.”

Vrijwel alle fabrikanten die aan supermarkten leveren zijn gecertificeerd volgens een GFSIstandaard zoals BRC, IFS of FSSC22000. Kun je met deze standaarden voedselfraude voorkomen?
Brinkhorst: “Zeker niet. Deze standaarden focussen zich op voedselveiligheid. Er wordt niet primair op voedselfraude getoetst. Bovendien hebben auditoren te weinig tijd om écht goed op dit onderwerp in te gaan.”

Zevenberg: “Sterker nog, tot een paar jaar geleden maakte voedselfraude niets eens deel uit van de certificering. Dat is nu aan het veranderen. Steeds meer certificeringsstandaarden stellen het maken van een risicoinventarisatie voor voedselfraude verplicht. Dit geldt voor de BRC7, die in juli 2015 is ingegaan, en de doctrines van de IFS die in april 2014 zijn ingegaan. De FSSC 22000 versie 4.1 stelt vanaf januari 2018 het maken van zo’n inventarisatie voor verplicht.”

Brinkhorst: “Maar dat geeft nog geen garantie  voor een goed voedselfraudepreventiebeleid. Veel risicoinventarisaties hebben te weinig diepgang en niet alle risico’s worden onderkend. En bij de preventie van voedselfraude zijn juist die details zo belangrijk. Dat zie je ook terug bij het eierschandaal. Een kleine schakel in de keten kan een grote crisis veroorzaken.”

Voor supermarkten is het wel lastig dat een certificaat zo weinig garantie geeft. Hoe weten zij dat zij zaken doen met een fabrikant die er alles aan doet om voedselfraude te voorkomen?
Brinkhorst: “Ik zou mensen aannemen die expertise hebben op dit gebied. Zij kunnen de maatregelen die hun leveranciers nemen beoordelen en het gesprek met hen aangaan.”

Het lijkt me als fabrikant bijzonder lastig om voedselfraude tegen te gaan. Je hoeft maar één boze medewerker in je team te hebben die gif in je grondstof injecteert en je hebt al een voedselcrisis te pakken. Kun je je tegen al die risico’s wapenen?
Zevenberg: “Je kunt je niet overal tegen wapenen. Maar je kunt vooraf wel een goede inschatting maken van de risico’s die je loopt. Heb je bijvoorbeeld megastallen gebouwd en stuitte je daarbij op veel verzet? Dan vormt de omgeving een groot risico. Dat geldt niet voor een koekfabriek die een lekkere geur verspreidt in de omgeving en bekend staat als een goede werkgever. Bij zo’n koekfabriek liggen de risico’s waarschijnlijk op andere vlakken, bijvoorbeeld bij het inkopen van kruiden uit derdewereldlanden.

Het is belangrijk dat de risico-inventarisatie voldoende diepgang heeft. Ga bijvoorbeeld na hoe jouw leveranciers er financieel voor staan. Iedereen wil overleven. En ondernemers die moeite hebben om hun hoofd boven water te houden, zullen eerder geneigd zijn om te frauderen. En heb oog voor grondstoffen die moeilijk verkrijgbaar en duur zijn. Vanille is daar een voorbeeld van. Fraudeurs kunnen snel veel geld verdienen door zo’n grondstof te vermengen met een goedkopere variant.”

Het complete verhaal leest u in de Levensmiddelenkrant.

Bron: Levensmiddelenkrant