Dirk Mulder 2021 columnist Dirk Mulder is sector banker trade & retail bij ING.

Column: De laatste boodschap

Vroeger had ieder dorp drie zekerheden. Een kerk, een café en een supermarkt. Van die drie heeft de supermarkt het tegenwoordig misschien wel het zwaarst.

Dirk Mulder |

Wie door Nederland rijdt, ziet het gebeuren. Het dorp is er nog. De mensen ook. Maar de supermarkt staat onder druk. En dat is opmerkelijk. Want Nederlanders doen meer boodschappen dan ooit. We eten bewuster, vaker vers en verwachten een winkel die van alles biedt. Toch zijn het juist de kleine supermarkten die steeds vaker moeten vechten voor hun bestaan.

Dat voelt ergens oneerlijk. De lokale ondernemer doet alles goed. Hij kent zijn klanten bij naam. Helpt de oudere buurvrouw met haar boodschappen. Sponsort het dorpsfeest en de voetbalclub. En toch wordt het elk jaar lastiger om een fatsoenlijk rendement te draaien. De oorzaak laat zich raden. De kosten lopen harder op dan de omzet. Personeel kost meer. Energie kost meer. Huren stijgen. Investeringen in automatisering zijn noodzakelijk.

Ondertussen verwachten consumenten een winkel die eruitziet als een grote stadssupermarkt. Veel vers, veel gemak, veel keuze en liefst ook nog scherpe aanbiedingen. Dat laatste is precies waar de pijn zit.

De consument zegt graag dat hij de lokale supermarkt belangrijk vindt. Maar op zaterdag stapt diezelfde consument in de auto richting een grotere vestiging tien kilometer verderop. Daar ligt een groter assortiment, staan meer aanbiedingen en is parkeren eenvoudiger. De dorpssupermarkt wordt vervolgens gebruikt voor de vergeten paprika, een pak melk of de zak aardappelen die nog nodig is voor het avondeten.

Voor de omzet is dat een gevaarlijke ontwikkeling. De grote boodschappen verdwijnen. Wat overblijft zijn steeds meer kleine transacties. En met alleen snelle boodschapjes betaal je geen stijgende energierekening.

Daar komt nog iets bij. De supermarkt is veel meer dan een plek waar boodschappen worden verkocht. Het is vaak de motor van een winkelgebied. Verdwijnt de supermarkt, dan merkt de bakker dat. De drogist merkt het. De bloemist merkt het. Minder bezoekers betekent minder klandizie voor iedereen.

In veel dorpen is de supermarkt de laatste plek waar inwoners elkaar nog spontaan ontmoeten. Zeker voor ouderen vervult de winkel een sociale functie die lastig in cijfers is uit te drukken. Een praatje bij de kassa lijkt misschien onbelangrijk. Tot het er niet meer is.

Daarom gaat het niet alleen over rendement. Het gaat ook over leefbaarheid. Dat maakt het ingewikkeld. Gemeenten willen ondernemers ruimte geven om te groeien. Tegelijkertijd willen ze voorzieningen behouden. Maar als de markt zijn werk doet, wint schaalgrootte vrijwel altijd. De rekensom van een supermarkt van driehonderd vierkante meter is nu eenmaal minder aantrekkelijk dan die van een supermarkt die vier of vijf keer zo groot is. Toch ligt de toekomst van kleine supermarkten niet alleen in groter worden. De kracht zit juist in iets wat grote winkels moeilijk kunnen kopiëren: lokale betrokkenheid. De supermarkt die samenwerkt met het dorp, lokale producten verkoopt, extra service biedt en onderdeel blijft van het dagelijks leven, heeft nog altijd een sterk verhaal.

Dat verhaal alleen is echter niet genoeg. Ook gemeenten, vastgoedeigenaren en supermarktorganisaties hebben een rol. De discussie over dorpssupermarkten gaat allang niet meer uitsluitend over supermarkten. Het gaat over voorzieningen. Over bereikbaarheid. Over sociale samenhang.

En misschien is dat wel de belangrijkste boodschap. Wanneer de laatste supermarkt uit een dorp verdwijnt, verdwijnt er meer dan een plek waar je melk en brood koopt.
Dan verdwijnt er een stukje dorp. En dat staat op geen enkel kassabonnetje.

Dit artikel verscheen eerder in Levensmiddelenkrant. Abonneren? Klik hier.