1 voor de winkel Het winkelmanagement: Jacqueline Brauwers, Ronald Rodenburg en Jannie Jager.

In Aldeboarn bouwen vrijwilligers aan een toekomstbestendige buurtvoorziening

ALDEBOARN - Toen eind 2022 de laatste supermarkt in Aldeboarn de deuren sloot, dreigde het Friese dorp een essentiële voorziening kwijt te raken. Voor veel dorpen is dat het begin van een neerwaartse spiraal: inwoners wijken uit naar grotere plaatsen, de leefbaarheid neemt af en een nieuwe ondernemer blijkt nauwelijks nog te vinden. In Aldeboarn besloten inwoners daarom het heft in eigen hand te nemen. Twee betrokken vrijwilligers, Jacqueline Brauwers en Jannie Jager, vertellen vlak voor de derde verjaardag van de dorpswinkel hoe zij dit doen.

Kim Schoonman |

Bijna drie jaar na de opening draait de dorpswinkel volledig op vrijwilligers, worden de schappen dagelijks gevuld dankzij een bijzondere samenwerking met Poiesz en werkt men aan een grotere vestiging midden in het dorp.

Het initiatief laat zien dat een dorpswinkel ook zonder traditionele ondernemer levensvatbaar kan zijn, dankzij een aantal voorwaarden: een betrokken gemeenschap, een slimme logistieke organisatie en tientallen vrijwilligers die ieder hun eigen expertise en tijd inzetten. “Wij hebben vanaf het begin gezegd dat we geen supermarkt wilden worden”, begint Brauwers, die samen met Jager en Ronald Rodenburg het winkelmanagement vormt. “Natuurlijk verkopen we boodschappen, maar de sociale functie is minstens zo belangrijk. Mensen komen hier net zo goed voor een kop koffie of een praatje als voor een pak melk.”

Wie de winkel bezoekt, begrijpt direct wat ze bedoelt. Op slechts 55 vierkante meter is een compleet assortiment ondergebracht. Smalle gangpaden, een bescheiden versafdeling, brood van de lokale bakker, streekproducten naast A-merken en een klein koffiehoekje waar klanten rustig blijven zitten nadat de boodschappen al zijn afgerekend. “Dat koffiehoekje is misschien wel de belangrijkste vierkante meter van de winkel”, zegt Brauwers.

Sluiting als kantelpunt
Nadat opnieuw een supermarkt uit Aldeboarn verdween, realiseerden inwoners zich dat wachten op een nieuwe exploitant weinig zin had. “We hebben natuurlijk eerst gekeken of een bestaande winkelformule mogelijk was”, vertelt Brauwers. “Maar een commerciële exploitatie blijft in een klein dorp ontzettend lastig. Je hebt relatief weinig omzet, terwijl de kosten gewoon doorlopen.” Voor een reguliere ondernemer was de businesscase simpelweg te kwetsbaar.

Tegelijkertijd liep er een provinciaal programma voor leefbaarheid op het Friese platteland. Dat bracht de initiatiefnemers op een ander idee: de zaak benaderen vanuit de leefbaarheid in plaats van alleen vanuit retail. Met steun van de provincie kon het initiatief daadwerkelijk van start. De rest kwam uit het dorp zelf. “We hebben eigenlijk alles bij elkaar georganiseerd”, zegt Brauwers. “Materialen werden gesponsord, ondernemers hielpen mee en een ploeg van ongeveer dertig vrijwilligers heeft het hele pand verbouwd. Van de vloer tot de verlichting: het is echt een winkel van het dorp geworden.”

Vrijwilligers als organisatie
Waar veel dorpswinkels afhankelijk zijn van enkele kartrekkers, koos Aldeboarn bewust voor een brede organisatie met inmiddels ongeveer zeventig vrijwilligers. “Dat is misschien wel onze grootste succesfactor”, beaamt Jager. Want die vrijwilligers doen veel meer dan kassadiensten draaien. Er zijn schoonmaakploegen, bezorgers voor minder mobiele inwoners, jongeren die zware boodschappen sjouwen, mensen voor de financiële administratie, marketing, ICT, communicatie en zelfs een werkgroep die zich bezighoudt met de toekomstige nieuwbouw. “Je moet niet verwachten dat één persoon alles kan”, zegt Brauwers. “Iedereen doet waar hij of zij goed in is.”

Juist daardoor kan de winkel professioneel functioneren zonder betaalde medewerkers. Wat het overigens niet eenvoudig maakt. “Een vrijwilligersorganisatie is geen gewoon bedrijf”, zegt Brauwers. “We zijn geen professionals. Met vrijwilligers samenwerken vraagt veel overleg en vertrouwen.” Jager knikt. “En soms moet je accepteren dat iets op een andere manier gebeurt dan jij het zou doen. Dat hoort erbij. Uiteindelijk is de winkel van ons allemaal.”

"Wij zijn geen supermarkt, maar een dorpswinkel; dat verschil is essentieel"

Dagelijks bevoorraden
Het geheim van de volle schappen zit in de bevoorrading. De dorpswinkel werkt samen met Poiesz. Niet volgens een franchiseof formuleconstructie, maar met een vrijwel dagelijkse bestelling, precies afgestemd op de behoefte van dat moment. “Dat is eigenlijk uit nood geboren”, aldus Jager. “We hebben simpelweg geen magazijn. Maar achteraf blijkt het een enorme kracht, want de winkel ligt er altijd verzorgd bij zonder grote voorraden.” Mocht een product onverhoopt ontbreken, “dan rijden we zelf even naar Poiesz”, lacht Brauwers. “Dat gebeurt gelukkig niet vaak.”

De samenwerking met de Friese supermarktketen is bijzonder. “Wij zijn voor hen eigenlijk ‘gewoon’ een klant”, zegt Brauwers. “Maar dan wel een die elke dag bestelt. Poiesz heeft vanaf het begin meegedacht en dat waarderen we enorm. Maar het is geen formule die ze overal willen uitrollen. We hebben ook geluk gehad met een filiaalmanager die direct de maatschappelijke waarde van het initiatief zag en het hoofdkantoor kijkt mee.” Ook lokale leveranciers spelen een belangrijke rol. Iedere ochtend levert de bakker vers brood, een slager uit de regio verzorgt vlees en ook voor zuivel en andere streekproducten werkt de winkel samen met ondernemers uit de omgeving.

Toch kiezen de initiatiefnemers bewust niet uitsluitend voor streekproducten. “Je moet aansluiten bij je dorp”, legt Jager uit. “Sommige klanten kiezen graag voor biologische producten van een lokale boerderij, anderen willen gewoon een betaalbaar huismerk. Beide groepen moeten hier terecht kunnen.” Dat uitgangspunt geldt ook voor het assortiment. Mist een klant een bepaald product, dan wordt gekeken of het kan worden opgenomen. “Die flexibiliteit is juist het voordeel van een kleine winkel”, meent Jager. “We luisteren naar onze klanten.”

Winkel 2.0
Hoewel de huidige winkel succesvol draait, wordt er gekeken naar een nieuwe locatie. “We hoeven niet per se groter te worden om meer artikelen neer te zetten”, zegt Brauwers. “Maar we willen de winkel wel prettiger maken. Iets bredere gangpaden, een betere presentatie en wat meer ruimte voor aanbiedingen.” Dat vormt de aanleiding voor Winkel 2.0, een ambitieus plan waarmee de dorpswinkel moet verhuizen naar het vernieuwde dorpscentrum.

De initiatiefnemers willen enkele leegstaande panden transformeren tot een nieuwe dorpsvoorziening, met beneden de winkel en daarboven appartementen voor starters. “Dan los je meerdere problemen tegelijk op”, zegt Brauwers enthousiast. “Je versterkt het centrum, creëert woningen voor jongeren én geeft de dorpswinkel toekomst.” De plannen zijn inmiddels concreet. Voor één pand is al een overeenkomst gesloten, over een tweede wordt onderhandeld.

Intussen wordt gewerkt met een architect en lopen gesprekken met de gemeente. “Het kost tijd”, zegt Brauwers. “We hebben geleerd dat je bij dit soort projecten geduld moet hebben.”

Maatschappelijke voorziening
Juist in die gesprekken met de gemeente merken de initiatiefnemers dat een dorpswinkel vaak nog met dezelfde bril wordt bekeken als een supermarkt. “Dan gaat het ineens over parkeernormen”, zegt Jager. “Maar onze klanten komen vooral lopend of op de fiets. Sommigen komen met een rollator of kinderwagen. Natuurlijk komt er ook wel eens iemand met de auto, maar wij trekken geen regionale boodschappenstroom.” Dat onderscheid is volgens haar essentieel. “Wij concurreren niet met grote supermarkten. Wij zorgen ervoor dat mensen in het dorp hun dagelijkse boodschappen kunnen blijven doen.”

Die maatschappelijke functie wordt volgens Brauwers nog weleens onderschat. “Het gaat hier niet alleen om melk en brood. Voor veel mensen is dit ook het moment waarop ze even iemand spreken. Zeker ouderen, maar ook jonge ouders of vrijwilligers die elkaar tegenkomen.” Het verklaart ook waarom de koffiehoek misschien wel belangrijker is dan een extra schap frisdrank.

Financieel gezond
Opvallend is dat de winkel financieel beter presteert dan vooraf werd verwacht. Uit een haalbaarheidsonderzoek bleek welke minimale omzet nodig was om levensvatbaar te zijn. “Daar zitten we inmiddels ruim boven”, vertelt Brauwers. Ook Jager kijkt met tevredenheid naar de cijfers. “We draaien vanaf het begin positief. Dat hadden we eerlijk gezegd niet durven voorspellen.” Toch waarschuwen beiden voor al te veel optimisme. “Onze situatie is uitzonderlijk”, zegt Brauwers. “We betalen nu geen commerciële huur en iedereen werkt vrijwillig. Zodra we naar een groter pand gaan, veranderen die uitgangspunten.” Juist daarom moet de volgende stap zorgvuldig worden voorbereid.

Lessen leren
Regelmatig ontvangen de initiatiefnemers bezoekers uit andere delen van Nederland die benieuwd zijn naar het concept. Hun eerste advies is nuchter. “Begin niet morgen al met een winkel”, zegt Brauwers. “Wij zijn bijna een jaar bezig geweest met onderzoek. We hebben bestaande dorpswinkels bezocht, met ondernemers gesproken en gekeken wat wel en niet werkte.” Volgens haar onderschatten veel mensen hoeveel kennis er nodig is om een winkel professioneel te exploiteren. “Retail lijkt eenvoudig, maar achter de schermen komt er ontzettend veel bij kijken.” Jager is het daarmee eens.

“Voedselveiligheid, voorraadbeheer, administratie, prijsbeleid, vrijwilligersplanning; winkeltje spelen is iets ingewikkelder dan je denkt.”

Minstens zo belangrijk is dat een dorp eerlijk kijkt naar zichzelf. “Je moet weten wat voor gemeenschap je bent”, zegt Brauwers. “Waarom willen mensen zich inzetten? Welke deskundigheid is aanwezig? En is er voldoende draagvlak? Zonder dat wordt het heel lastig.”

Tegen de stroom in
Beide vrouwen realiseren zich dat de wereld van de foodretail razendsnel verandert. Online boodschappen doen groeit, technologie ontwikkelt zich snel en schaalvergroting zet door. Toch denken ze dat juist daardoor ruimte ontstaat voor kleinschalige initiatieven. “Mensen verlangen ook weer naar aandacht”, weet Jager. “Niet alles hoeft sneller. Hier nemen we juist de tijd.” Brauwers kijkt daarom met vertrouwen naar de komende jaren. “Over tien jaar hoop ik dat we nog steeds in onze nieuwe winkel zitten. Maar belangrijker: dat het een plek blijft waar mensen elkaar ontmoeten.”

Meer dan een verkooppunt
Misschien is dat wel de belangrijkste les die Aldeboarn de supermarktbranche meegeeft. Efficiëntie en schaalgrootte blijven belangrijk, maar een winkel kan méér zijn dan een verkooppunt. Juist op plekken waar voorzieningen verdwijnen, kan een supermarkt of dorpswinkel opnieuw het sociale hart van een gemeenschap worden.

Dit artikel verscheen eerder in Levensmiddelenkrant. Abonneren? Klik hier.