WAGENINGEN – De Nederlandse voedselketen staat voor een complexe opgave. Duurzaamheid, gezondheid, betaalbaarheid en beschikbaarheid moeten hand in hand gaan, terwijl consumenten weinig bereid zijn concessies te doen aan smaak en prijs. Tegelijkertijd worstelen bedrijven met wetgeving, technologische barrières en een versnipperd landschap van initiatieven. Theme directors Arienne de Jong (Healthy Nutrition & Wellbeing) en Michiel Meeuse (Sustainable Products & Processes) vertellen hoe Next Food Collective (NFC) precies daar het verschil wil maken.
“Wat wij doen, zijn juist die dingen die bedrijven niet alleen kunnen”, begint Meeuse. “Individuele productontwikkeling kunnen bedrijven prima zelf. Maar als het gaat om systeemverandering, gezamenlijke investeringen en publiekprivate samenwerking, dan heb je een collectief nodig.” NFC werkt als verbinder tussen landbouw, industrie, kennisinstellingen en uiteindelijk de consument.
De Jong werkte onder meer als wetenschapper en bij het RIVM, Unilever en Albert Heijn. “Juist doordat ik al die perspectieven heb gezien, weet ik hoe afhankelijk partijen van elkaar zijn”, vertelt ze. “Je kunt geen gezonder en duurzamer voedingspatroon realiseren zonder dat de hele keten meedoet.”
Next Food Collective wil de transitie naar duurzaamheid in de voedselketen helpen versnellen.
NFC telt inmiddels zo’n twintig partners, waaronder ingrediënten- en voedselproducenten, technologiebedrijven en kennisinstellingen. Internationale spelers als Unilever, dsm-firmenich, Danone, Cosun, Avebe en het Franse Groupe Bel zijn aangesloten, naast Nederlandse universiteiten en hogescholen. “De keten is per definitie internationaal”, aldus Meeuse. “Onze basis ligt in Nederland, maar ingrediënten, kennis en markten stoppen niet bij de grens. Onderzoek vindt vooral hier plaats, maar de toepassingen zijn Europees of zelfs wereldwijd.”
Drie pijlers
De activiteiten van Next Food Collective zijn georganiseerd rond drie pijlers: duurzame landbouw, de verwerkende industrie en de consument. Daarmee bestrijkt de organisatie de hele keten. Meeuse: “Het begint bij de boer. Daar werken we aan regeneratieve landbouw, onder andere als initiator en coördinator van het Nationale Groeifondsprogramma ReGeNL. Vervolgens kijken we naar de verwerkende industrie: hoe kunnen producten duurzamer worden gemaakt zonder concessies aan kwaliteit? En uiteindelijk draait het om de consument, want die bepaalt of een product daadwerkelijk gegeten wordt.”
Volgens De Jong wordt die laatste schakel nog vaak onderschat. “Je kunt de mooiste duurzame producten maken, maar als de consument ze niet accepteert, ze te duur vindt of geen idee heeft hoe hij ze moet gebruiken, gebeurt er niets.”
Consument vraagt niet om duurzaam
Een belangrijk inzicht uit de praktijk: duurzaamheid op zichzelf is zelden de doorslaggevende factor bij aankoop. “Consumenten worden niet getriggerd door het woord duurzaamheid”, zegt Meeuse. “Uiteindelijk gaat het om smaak en prijs. Dat zijn de belangrijkste parameters. Er mag geen compromis zijn.”
Die constatering heeft directe gevolgen voor productontwikkeling. Hybride producten zoals vlees met een deels plantaardige samenstelling, zijn daar een goed voorbeeld van. “De rundvleesprijzen zijn hoog. Maar dankzij nieuwe technologieën kunnen producenten een deel van het vlees vervangen door plantaardige ingrediënten, zonder dat de smaak eronder lijdt. Dat is goedkoper én duurzamer.” De Jong vult aan: “De consument koopt zo’n product niet omdat er suikerbietenvezel in zit, maar omdat het lekker is en betaalbaar. Dát is hoe je verduurzaming schaalbaar maakt.”
Geen revolutie, maar evolutie
Volgens Next Food Collective is de voedseltransitie geen radicale breuk met bestaande eetpatronen, maar een proces van kleine, haalbare stappen. De Jong: “We hebben het vaak over fundamenteel anders eten, maar dat is voor de meeste mensen veel te groot. De ‘happy few’ doet dat misschien, maar de grote groep bereik je alleen met stapjes.”
Hybride producten, kleinere porties vlees of duurzame ingrediënten in bekende producten sluiten beter aan bij het dagelijks leven. “Je kunt niet van consumenten verwachten dat ze ineens heel anders gaan koken”, zegt Meeuse. “Als je binnen bestaande recepten een kleine verandering kunt aanbrengen, is de kans veel groter dat het blijvend is.”
Dat geldt niet alleen voor retail, maar ook voor foodservice. “In foodservice is de keuze beperkter”, merkt hij op. “In een bedrijfsrestaurant eet je wat er is. Dat maakt het soms makkelijker om duurzame alternatieven te introduceren dan in het schap van de supermarkt, waar de consument kan kiezen uit twintig opties.”
HOME-programma
Om beter te begrijpen hoe consumenten keuzes maken, ontwikkelt Next Food Collective het HOME-programma (Household Opportunities and Models for Eating). Dit impactprogramma richt zich op huishoudens: wat kopen ze, wat eten ze en waarom? “We kijken niet alleen naar inkomen of kookvaardigheden, maar ook naar minder voor de hand liggende factoren, zoals stress, gezinsfase en sociale invloeden. Je koopt andere boodschappen als je net geluncht hebt, dan wanneer je hongerig de supermarkt inloopt.”
Ook sociale media spelen een rol. “Mijn pubers komen thuis met TikTok-trends. Dat beïnvloedt wat er op tafel komt”, lacht De Jong. Het doel is om bestaande initiatieven van supermarkten, overheid en NGO’s te koppelen aan inzichten over huishoudens. “Er gebeurt al heel veel, de vraag is: hoe zorgen we dat wat werkt, ook bij de juiste mensen terechtkomt?”
Retail als sleutelspeler
Hoewel retailers nog geen formele partners zijn van Next Food Collective, spelen ze wel degelijk een rol in verschillende projecten. Lidl is bijvoorbeeld betrokken bij een regeneratief landbouwproject rond melk, in samenwerking met FrieslandCampina. “Retail staat dicht bij de consument”, beaamt De Jong. “Ze weten hoe ze de klantvraag kunnen volgen, maar ook hoe ze die kunnen sturen. Denk aan recepten, winkelrouting, promoties en assortimentssamenstelling. Retailers kunnen veel betekenen door duurzame keuzes makkelijker te maken. Betaalbare recepten, ingrediënten die logisch bij elkaar liggen, duidelijke communicatie, daar valt nog veel winst te behalen.”
Sleutelrol voor technologie
Next Food Collective houdt zich niet bezig met directe productontwikkeling, maar met het wegnemen van barrières. Technologie speelt daarbij een sleutelrol. Een voorbeeld is het Fermi-project, een groot onderzoeksprogramma met meerdere universiteiten en internationale bedrijven. “Daar ontwikkelen we technologieën om negatieve sensorische eigenschappen van plantaardige ingrediënten weg te nemen”, legt Meeuse uit. “Bitterheid, kleur, textuur, als je die aspecten kunt verbeteren, wordt het voor producenten veel makkelijker om die ingrediënten toe te passen. Je kunt het zien als enablers – aanjagers – voor productontwikkeling. Gezamenlijk zorgen we dat de technologie er is, bedrijven kunnen het vervolgens individueel toepassen.”
Start-ups: veelbelovend, maar geremd
Niet alleen bestaande bedrijven werken hieraan, in Nederland zijn veel start-ups actief op het gebied van nieuwe ingrediënten, fermentatie en upcycling. Meeuse noemt hen echte vernieuwers: “Ze durven risico’s te nemen.” Tegelijkertijd lopen ze tegen Europese wetgeving aan, met name rond Novel Foods (voedingsmiddelen of ingrediënten die vóór mei 1997 geen noemenswaardige geschiedenis van menselijke consumptie kenden, red.) “Het kan vier jaar duren voordat een nieuw ingrediënt is goedgekeurd. In die tijd zie je dat start-ups soms uitwijken naar Amerika of Singapore, waar de regels soepeler zijn.”
Volgens Meeuse is wetgeving daarmee een belangrijke, maar vaak onderschatte factor. “De regelgeving is bedoeld om consumenten te beschermen en dat is terecht. Maar de balans is soms zoek. Wetgeving kan innovatie ook remmen.”
Fragmentatie als grootste uitdaging
Als het gaat om duurzaamheidskansen in Nederland, ziet Next Food Collective dus vooral winst in betere samenwerking. De sector is enorm gefragmenteerd volgens Meeuse. “Iedereen doet iets, maar vaak langs elkaar heen.”
Het recent gepresenteerde Manifest Voedselsysteem 2050, ondertekend door onder meer CBL, FNLI, LTO en Next Food Collective, laat zien dat er wel degelijk bereidheid is om gezamenlijk op te trekken. “Dat is een signaal”, zegt De Jong. “Het zijn nog geen concrete stappen, maar het laat zien dat de wil er is. Regie vanuit de overheid is daarbij essentieel. Kennis is er, initiatieven zijn er, maar het moet bij elkaar komen en toegepast worden.”
Blik op de toekomst
Waar staat Next Food Collective over vijf jaar? “Vijf jaar is korter dan je denkt”, waarschuwt De Jong. “Maar ik hoop dat het HOME-programma dan echt draait en dat we huishoudens beter kunnen helpen gezonder en duurzamer te eten.”
Michiel hoopt vooral op minder versnippering. “Veel partijen willen uiteindelijk hetzelfde. Als we beter samenwerken, kunnen we barrières slechten die nu nog in de weg staan.” En de rol van retail? “Die is cruciaal”, benadrukt De Jong. “Retailers staan het dichtst bij de consument. Als we samen optrekken, kunnen we de transitie versnellen – stap voor stap, maar wel blijvend.”
Dit artikel verscheen eerder in Levensmiddelenkrant. Abonneren? Klik hier.