DEN HAAG – Het statiegeldsysteem in Nederland is ingericht voor zowel grote flessen en kleine flessen als blikjes. Maar hoe zit dat eigenlijk in onze buurlanden Duitsland en België? Wat zijn de grootste verschillen en hoe verhouden we ons tot Europa? Jeroen Hillen, directeur Statiegeld Nederland, geeft antwoord op deze vragen.
Tot 2021 kende Nederland een vrijwillig innamesysteem voor statiegeld op grotere flessen. “Dat was heel overzichtelijk met de 650 miljoen grote flessen die jaarlijks op de markt kwamen. We deden dat al zo’n vijftien jaar, dus het was volledig geaccepteerd”, vertelt Hillen. “Ongeveer 90% van de flessen werd teruggebracht. Grote flessen koop je eigenlijk alleen in de supermarkt, drink je thuis op en zelden onderweg, dus neem je ze weer mee als je boodschappen gaat doen. Het was een eenvoudige en overzichtelijke ‘klantreis’.” In 2021 werd daar statiegeld op kleine flesjes aan toegevoegd, vooral om zwerfafval tegen te gaan. Dat leverde 1,2 miljard kleine flesjes op. Vijftien maanden later kwamen daar blikjes bij, zo’n 2,5 miljard. Al deze producten werden in hetzelfde systeem verwerkt.
Uitdagingen
Voorheen draaide het statiegeldsysteem voor grote flessen vrijwel volledig via de supermarkten, met hier en daar een paar donatiepunten. “Van 650 miljoen naar 4,5 miljard flessen en blikjes in zo’n korte tijd brengt natuurlijk uitdagingen met zich mee, maar ik denk dat we daar heel goed mee zijn omgegaan. Natuurlijk zijn er achteraf altijd dingen die je anders zou doen. Met de kennis van nu hadden we bijvoorbeeld nooit zo snel blikjes achter de kleine flesjes moeten invoeren. Ook de hele economie rond de statiegeldrapers hadden we vooraf beter moeten meenemen. Toch zien we resultaat: in 2025 hebben we ruim 85% van de blikjes teruggehaald en ruim 80% van de kleine flessen. In vergelijking met andere Europese landen doen we het uitstekend. De meeste landen hadden een overgangsperiode van zeven tot acht jaar nodig; wij halen dat met blikjes mogelijk al in drie jaar en met kleine flessen in vijf à zes jaar”, aldus Hillen.
Vergelijking Duitsland
Als Hillen naar het Duitse statiegeldsysteem kijkt, merkt hij op dat daar best veel glas in zit. “Dat hebben wij natuurlijk met de bierkratten, maar zij hebben echt veel glazen frisdrankflessen”, geeft de directeur van Statiegeld Nederland aan. “Over het algemeen is het systeem redelijk vergelijkbaar, maar ik denk dat er twee noemenswaardige verschillen zijn. Allereerst heb je in Duitsland een innameplicht. Winkels zijn wettelijk verplicht alle statiegeldverpakkingen in te nemen. Dat scheelt wel, want je hebt gelijk heel veel punten waar je in kan leveren.” Het tweede verschil betreft consumentengedrag. “Wij zeggen altijd dat twee dingen belangrijk zijn: de infrastructuur en het inlevergemak. Het gaat om de juiste, goed functionerende apparaten op de juiste plek. Daarnaast moet de consument bereid zijn om ze te gebruiken. In mijn omgeving hoor ik vaak dat mensen zeggen: ‘Ik heb er geen zin in’. In Duitsland is het veel directer: afspraken zijn afspraken. Als je een statiegeldsysteem hebt waarbij je een product op een bepaalde manier moet inleveren, dan wordt dat gewoon gedaan. Dat is misschien ook wel een stukje gewenning, want het systeem is daar al langer in werking”, zegt Hillen.
In Duitsland ligt het statiegeldbedrag voor zowel grote als kleine flessen op 0,25 euro en in Nederland is dit voor de pet-flesjes 0,15 euro. Volgens de directeur van Statiegeld Nederland maakt dit verschil niet uit. “We hebben ons statiegeld onlangs gebenchmarkt met andere Europese landen en rekening gehouden met de koopkracht. Daarbij blijkt dat ons systeem prima in het midden zit. Het hogere bedrag in Duitsland maakt het systeem daar misschien iets effectiever, maar het verschil is klein en de inzameling in Nederland stijgt gewoon door. Met koopkrachtcorrectie ligt ons statiegeldbedrag goed in lijn met andere landen.”
België heeft geen systeem
Het verschil tussen het Nederlandse en Belgische statiegeldsysteem is makkelijk aan te wijzen. In België is er namelijk helemaal geen systeem. “Waarom ze dat niet hebben? Dat moet je aan België zelf vragen”, lacht Hillen. “Uiteindelijk moeten ze met de Europese PPWR-verpakkingswet 90% terughalen. Ze hebben wel een systeem van bronscheiding met blauwe zakken; daar halen ze relatief veel verpakkingen mee terug. Op die manier recyclen ze, maar dat is nog niet genoeg. Uiteindelijk gaan alle landen mee. Engeland en Polen komen eraan, in Spanje zijn ze bezig en Frankrijk en België zullen uiteindelijk eveneens een keer mee moeten, net als de rest van de Europese landen zonder statiegeldsysteem.”
Doordat België geen statiegeldsysteem heeft en Nederland wel, ontstaan er soms uitdagingen. Zo kunnen bepaalde verpakkingen die in België zijn verkocht, in Nederland worden ingeleverd voor statiegeld. Dit systeem is ontstaan vanuit de activiteiten van grote Nederlandse supermarktketens die ook in België actief zijn. Omdat de taal hetzelfde is, kozen zij ervoor om met één type verpakking te werken in plaats van met meerdere varianten. “Statiegeld Nederland houdt rekening met dit risico in de berekeningen en monitort dit ook. Hoewel dit een kleine keerzijde van het systeem is, gaat het om relatief geringe aantallen en blijft het beheersbaar. Uiteindelijk is het belangrijkste doel dat de verpakkingen goed worden ingezameld en gerecycled”, vertelt Hillen.
Uniform systeem?
Voor fabrikanten betekenen de verschillende statiegeldsystemen dat ze in principe voor elk land een aparte verpakking moeten hebben. “Stel dat op een gegeven moment overal statiegeld wordt ingevoerd en het bedrag per verpakking grotendeels gelijk is, dan zou je misschien naar een uniform systeem kunnen toewerken. Maar dat is lastig vanwege de verschillen in koopkracht, bijvoorbeeld tussen Noorwegen en Griekenland”, legt Hillen uit. Wat wél werkbaar lijkt, is samenwerking in grensregio’s. Daar kunnen data over teruggebrachte verpakkingen worden gebruikt voor verrekeningsmechanismen, waardoor klanten eenvoudig kunnen recyclen en de ‘klantreis’ optimaal blijft.
Stichting verschillende landen
De directeur van Statiegeld Nederland, dat onderdeel is van Verpact, is ervan overtuigd dat we van elk land iets kunnen leren. Alle Europese landen met statiegeld zijn aangesloten bij een stichting. “We spreken elkaar twee keer per jaar”, legt hij uit. “We brengen ook bezoeken aan andere landen en nemen de ervaringen mee terug. Het hele verhaal van bijvoorbeeld de bulkmachines kwam eerst uit Scandinavië. Daar zijn we naartoe gegaan en hebben we gekeken waar we op moesten letten. Elk land heeft zo zijn eigen lessen. Wij zijn inmiddels al best lang bezig, dus wij krijgen ook vragen van andere landen, zoals het Verenigd Koninkrijk. Diverse landen komen ook bij ons kijken. Landen zijn niet een-op-een vergelijkbaar, maar van elk van hen kun je wel iets meenemen.”
Voor de toekomst verwacht Hillen dat Nederland ruim boven de 90% inzameling zal uitkomen, met een goede ‘klantreis’. Tegelijkertijd benadrukt hij dat er voortdurend innovatie nodig zal zijn.
Dit artikel verscheen eerder in Levensmiddelenkrant. Abonneren? Klik hier.