Column: Crisis

De gemeenteraad van Haarlem heeft onlangs een verbod uitgevaardigd op reclames voor vlees in de openbare ruimte. De achterliggende gedachte is dat de productie van vlees zorgt voor de uitstoot van schadelijke broeikasgassen en mensen door het consumeren van vlees dus bijdragen aan de opwarming van de aarde. Ook straatreclames voor onder meer vliegvakanties en fossiele brandstoffen zijn door deze stad in de ban gedaan. In andere grote steden wordt er al op gehint dat zij mogelijk het voorbeeld van Haarlem willen volgen.

Ik vind dit een zorgelijke ontwikkeling. Niet alleen omdat dit soort verboden raken aan de vrijheid van meningsuiting, maar vooral vanwege de trend dat de overheid in toenemende mate voor de samenleving gaat bepalen wat ‘goed’ en wat ‘fout’ is. Een bevoogding waarvan zeker lokale overheden zich verre zouden moeten houden, aangezien de perceptie van ‘goed’ of ‘fout’ – afhankelijk van de politieke signatuur – per gemeentebestuur kan verschillen en er al genoeg onderlinge verschillen in regelgeving bij gemeenten zijn. Bovendien: waar stopt het? Morgen worden ergens misschien de zuivelproducten van straat geweerd en overmorgen moeten andere voedingsmiddelen wijken, omdat ze door een gemeentebestuur niet (meer) als gezond of als slecht voor het milieu worden aangemerkt.
Als retailer in de foodsector heb ik altijd opengestaan voor nieuwe inzichten en innovaties. Zo ben ik nog altijd trots op de eerste ecologische zuivelfabriek die ik in de jaren 90 samen met een lokale melkveehouder in Drachten van de grond heb getild. Om de overheid een handje te helpen om afvalscheiding te stimuleren, heb ik in 1995 bij mijn nieuwbouwsupermarkt de allereerste Retourette in Nijkerk gerealiseerd.
Vandaag de dag lijken dit soort inspanningen, die ik trouwens ook zie bij de meeste van mijn collega-supermarktondernemers, steeds minder veel voor te stellen. Wat dat betreft voel ik mee met de boeren in ons land, die na jarenlang investeren in allerlei uitstootbeperkende maatregelen nu te horen hebben gekregen dat het allemaal onvoldoende is en de agrarische sector grotendeels moet verdwijnen. Ik wil mij verre houden van klimaatontkenners of complottheorieën, maar dat er vraagtekens te zetten zijn bij de rekenmodellen waarop de overheid het stikstofbeleid baseert, lijkt me een veilige conclusie. Hoewel onze branche te kennen heeft gegeven voorlopig geen partij te willen zijn in het conflict tussen de boeren en de overheid, is het zonneklaar dat wij daarbij op enig moment betrokken gaan worden. Nu al wordt er regelmatig kritisch gerefereerd aan onze verantwoordelijkheid als het gaat om de doorberekening van de kosten voor gezondheid en milieu, het zogenoemde ‘ true pricing ’. Dit is overigens geen nieuw fenomeen, want ‘ true pricing ’ werd – naast de invoering van suikertaks en een stop op de verkoop van alcohol buiten de slijterijen – in 2018 ook al genoemd in het Nationaal Preventieakkoord waarmee de overheid de stijgende zorgkosten een halt wil toeroepen.
Destijds werd de verantwoordelijkheid in de strijd tegen problematisch overgewicht en alcoholgebruik om ‘consumenten te helpen een bewuste keuze te maken’ nog vooral neergelegd bij de foodsector. Als ik naar Haarlem kijk, vrees ik dat we nu hard op weg zijn naar een tijd waarin de lokale overheid zich naar eigen inzicht gaat mengen in wat er nog zichtbaar in de schappen van de supermarkt mag liggen. Dan wordt het pas echt crisis.

Bron: Levensmiddelenkrant

Dit artikel verscheen eerder in Levensmiddelenkrant. Abonneren? Klik hier.