Nieuwe FNLI-directeur over zijn functie en duurzaamheid

FNLI: ‘We moeten consument helpen om juiste keuzes te maken’

[SPECIAL DUURZAAMHEID] DEN HAAG - “Duurzaamheid en gezondheid zijn onomkeerbare trends die in een stroomversnelling zitten”, vertelt Cees-Jan Adema, sinds dit jaar de nieuwe directeur van de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI). In een interview met Levensmiddelenkrant kijkt hij terug op de eerste maanden in deze functie en bespreekt hij thema’s als duurzaamheid, statiegeld op blikjes en de verwachtingen voor 2021.

Hoe zijn de eerste weken als directeur van de FNLI bevallen?
“Heel goed. Het is superleuk. Ik heb veel afspraken en kennismakingen met collega’s gehad, die allemaal met veel passie en enthousiasme voor de branche werken. Ik ben bedrijfskundig opgeleid, maar heb daarna altijd in de foodindustrie gewerkt zoals bij Coca-Cola, PepsiCo en de Nederlandse Brouwers. De dynamiek waarin we zitten als foodindustrie ken ik, alleen bij de FNLI werk je in een breder palet en zijn er meerdere uitdagingen. Ik heb negen jaar bij de Nederlandse Brouwers gewerkt en was toe aan iets nieuws. Daarom hebben we afgesproken dat ik per 1 januari 2020 zou stoppen. Het afgelopen jaar heb ik gebruikt om te kijken wat ik wil en dat is een langere samenwerking. Toen de mogelijkheid zich voordeed om bij de FNLI aan de slag te gaan, was de keuze snel gemaakt.”

Wat zijn de ambities van de FNLI?
“Het is goed om te realiseren dat de markt en de samenleving heel erg zijn veranderd, met name tijdens de coronacrisis. Thema’s als duurzaamheid en gezondheid zijn in een stroomversnelling gekomen. Het zijn onomkeerbare trends. Als ik kijk naar mijn kinderen, zij eten en leven veel duurzamer dan dat ik deed 30 jaar geleden. Samen met de achterban van de FNLI kijken we naar de trends voor de komende jaren. Belangrijke onderwerpen zijn eiwittransitie, oorsprong van producten, manieren van produceren en de omstandigheden waaronder dat gebeurt. Het is veel breder dan ‘is het lekker en wat kost het?’ Lekker, veilig, gezond en betaalbaar eten beschikbaar maken hebben we bereikt, nu gaan we verder dan dat. En dat zien we in de hele keten. Het begint bij wat de consument wil en dat is ook onze drijfveer. De FNLI werkt daar actief aan mee door leden te ondersteunen. Fabrikanten moeten uiteraard zelf invulling geven aan hun ambities door te innoveren en te investeren. Als FNLI kunnen we drie dingen doen. Allereerst nadenken welke kant we opgaan en de stip op de horizon vastleggen. Een tweede punt is om samen met de leden te kijken wat daarvoor nodig is. Regelgeving, wetgeving, platforms. Wij kunnen daar een belangrijke rol in spelen. Het derde is zorgen voor een goede kennisoverdracht en inspiratie bieden, zoals een plek waar leden elkaar ontmoeten en het kunnen hebben over verschillende ontwikkelingen. De industrie wil medevormgever zijn van het toekomstige voedselsysteem.”

Welke trends en ontwikkelingen zien jullie momenteel in de markt?
“De grootste trends zien we op het gebied van duurzaamheid en gezondheid. Er is een grote vraag naar het aanpassen van producten, zoals minder zout, suiker en vet. Daar wordt op gelet en er zijn flinke stappen genomen, ook naar aanleiding van het Nationaal Preventieakkoord. Dat levert veel goede resultaten op. Het is een continu proces en staat ook op het prioriteitenlijstje van fabrikanten. Datzelfde zie je rondom verduurzaming. De focus lag altijd op wat de fabrikant doet, maar die is langzaam verschoven naar de gehele keten. Duurzaamheidsplannen worden gemaakt om te kijken wat er verbeterd kan worden. Daarin wordt circulariteit meegenomen, maar ook verpakkingen, recycling en dierenwelzijn. De focus ligt echt op wat je allemaal kunt en de consument heeft daar terecht veel vragen over. Die wil transparantie.”

Wat verwachten jullie van 2021?
“De verkiezingen zijn net geweest en het is spannend wat daaruit komt. Het heeft veel effect op diverse vlakken, zoals het Preventieakkoord. Ik hoop dat de ingeslagen weg wordt voortgezet. We hebben al jaren een publiek-private samenwerking en die is heel effectief. Regelgeving is belangrijk, maar je kunt er niet alles in vastleggen. Denk aan gedrag, maar dat kunnen we wel beïnvloeden. Daarnaast is de foodindustrie internationaal, dus je kunt niet alles op nationaal niveau wettelijk regelen. Neem bijvoorbeeld verduurzaming. We moeten internationaal bepalen welke kant we opgaan, zodat we ook consistent beleid kunnen voeren. Er zijn veel discussies rondom de suikertaks en vleestaks. Die eerste is heel duidelijk; we hebben in 2018 in het Preventieakkoord heldere afspraken gemaakt over reductie en herformulering. De industrie heeft geluisterd en aanpassingen doorgevoerd. Het doel was om 30 procent minder suiker in de producten te hebben in 2025 en we zitten nu al op 26 procent. De discussie over een suikertaks is daarom nu nog prematuur. Het Preventieakkoord is nog vers en er wordt volop geïnvesteerd. Laten we eerst kijken of de doelstelling wordt gehaald.

En dan de vleestaks. Duurzaamheid is een steeds belangrijker wordend thema. Van boeren en producenten mag terecht gevraagd worden om daarin te investeren. Met een platte vleestaks geef je geen extra impuls om te investeren. Verduurzaming moet ook lonend zijn voor boeren. Dat geldt voor de hele keten; als je de kosten niet terugkrijgt, loop je vast. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat de vleestaks ontzettend complex en heel fraudegevoelig is. Daar zit mijn zorg ook. Hoe ga je het handhaven?”

Hoe staan jullie tegenover statiegeld op blikjes?
“Het is een duidelijk besluit geweest. We zien en snappen de discussie.
Fabrikanten willen de mouwen opstropen en het regelen met elkaar. Blikjes met merknaam liggen in de berm, dat wil je oplossen. Dat geldt ook voor huismerkproducten. Ik hoop dat de invoering van statiegeld een positief effect heeft, maar daarnaast zul je consumenten ook altijd moeten blijven voorlichten en moeten handhaven. We gaan met z’n allen onze stinkende best doen om te zorgen dat het voor eind 2021 lukt.”

Duurzaamheid is een belangrijk thema. Waar vallen nog stappen te behalen?
“Levensmiddelenbedrijven lopen voorop met het terugdringen van CO2-uitstoot en de fabrieken behoren tot de meest efficiënte van Nederland. Desalniettemin blijven we ambitieus. Zo willen meerdere bedrijven binnen een aantal jaren klimaatneutraal produceren of volledig klimaatneutraal zijn. Er zijn veel heffingen die betaald moeten worden door levensmiddelenbedrijven, bijvoorbeeld de Opslag Duurzame Energie (ODE). Velen krijgen echter geen toegang tot subsidies. Dat werkt niet als je van het gas af wil. Er mag vanuit de overheid een tandje worden bijgezet om dit te regelen.
Een tweede belangrijke verandering is de infrastructuur. Wij kijken met diverse partijen naar heel Nederland, want de focus ligt op clusters zoals RotterdamMoerdijk, Noord-Nederland, of het Noordzeekanaalgebied. Als je in OostNederland geen gas meer wil, moet je wel alternatieven hebben. We gaan dit in kaart brengen om ook daar aandacht aan te geven.
Als laatste ligt er een uitdaging voor de retailbranche. Het is belangrijk om eenvoudig en eenduidig de consument te informeren over wat ze kopen. Daarvoor is het belangrijk om samen op te trekken om verwarring te voorkomen. Duurzaamheid is een verantwoordelijkheid van alle betrokkenen in de keten. We kijken te veel naar wat de overheid van ons verwacht en niet wat de consument wil. Als keten willen we in de samenleving staan en onze opdracht is om de consument te helpen met het maken van een duurzamere of bewustere keuze.”

Bron: Levensmiddelenkrant